donderdag 4 november 2010

Tijdgeest

Ik schaam me. Een week of twee geleden stond een berichtje in de krant van het soort dat om de zoveel maanden een kolom op pagina 11 moet opvullen. Nu eens zijn rokers het lijdend voorwerp, dan weer mensen die een extreme sport beoefenen. Dit keer waren het de mensen met overgewicht. We blijken de samenleving – u dus – heel veel geld te kosten. Nee, maar echt héél véél geld. Aan zorg en zo. Ik voelde me aangesproken.

Ik ben bang dat iedereen zo wel een keer aan de beurt komt. De automobilist kost de schatkist honderden miljoenen per jaar extra, zo blijkt binnenkort. Voetbalsupporters slurpen de politiebudgetten op. Vermaledijde muziekliefhebbers dwingen de gemeente tot een ingrijpende opknapbeurt van het concertgebouw. En die jongeren die tegenwoordig steeds vaker adhd of een ‘aandoening in het autistische spectrum’ lijken te hebben, moeten allemaal een rugzakje hebben. Omdat de samenleving bestaat uit een verzameling menselijke individuen, en niet uit robots die van de lopende band komen, is er verdorie ook altijd wat. Lastig hoor.

Mensen kosten de samenleving inderdaad geld, de een wat meer dan de ander. Maar aan de andere kant brengen ze dat geld zelf ook weer op. De een wat meer dan de ander. Het mooie van Nederland was altijd dat het solidariteitsprincipe een belangrijke pijler van ons maatschappelijk gebouw was. Dat we van elkaar accepteerden dat je in de ene persoon wat meer moet investeren dan in de ander. En dat dat de een soms wat meer geld kost dan de ander. Omdat de samenleving daar uiteindelijk als gehéél beter van zou worden, deden we er niet echt moeilijk over. Dit solidariteitsprincipe is verweven in ons fiscale stelsel. Of moet ik zeggen: was? Solidariteit is ineens een ‘linkse hobby’ en mensen zijn nu vooral economische eenheden. O wee als je baten niet opwegen tegen de kosten…



Het krantenartikeltje zette me wel aan het denken. Ik behoor tot die ene helft van de Nederlandse zzp’ers (zelfstandigen zonder personeel) die niet verzekerd is tegen arbeidsongeschiktheid. Simpelweg omdat zo’n verzekering peperduur is. Van overheidswege is er op dit punt niets geregeld voor zelfstandigen en het lijkt me stug dat het er nog van komt.  
Maar goed, ik kom op een leeftijd waarop de kans dat je iets oploopt groter en groter wordt. Dus vorige week heb ik de knoop toch maar doorgehakt en me met enorm veel tegenzin aangemeld voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Of de verzekeraar me wil hebben, moet ik overigens nog maar afwachten. Telefonisch werd me een lijst met gezondheidsvragen afgenomen. Eerste vraag: komen er in uw directe familie hartklachten voor? Daar ga je al, dacht ik. Want ja, dat was bij moeders het geval en ook broer en zus zijn er niet aan ontkomen. Je kunt dus al bijna uittekenen dat áls de verzekeraar me al accepteert, arbeidsongeschiktheid door hartklachten buiten het verzekerbare pakket zal vallen. Of dat mijn premie nog hoger gaat uitvallen. 

Het solidariteitsprincipe, dat ook een fundament van het verzekeringsstelsel vormt, is leuk en aardig, maar als het de verzekeraar geld gaat kosten treden andere mechanismen in werking. Dat zullen we de komende tijd nog vaak gaan meemaken, dat de dingen anders gaan lopen. Het gezegde ‘Wen er maar aan’ is inmiddels een gevleugelde uitdrukking geworden. Met het idee dat ons land zich ontwikkelt in de richting van een nachtwakersstaat, gaat mij dat in ieder geval niet lukken. Er waart een spook door Nederland. Het is de tijdgeest.

woensdag 27 oktober 2010

Kinderachtig

Na al het gejammer en gejeremieer van het afgelopen weekeinde – een enorme rij van BN’ers huilde krokodillentranen over het ‘schokkende’ en ‘dramatische’ verlies van Feyenoord – heb ik nieuws voor u. PSV heeft zondag met 10-0 gewónnen! Ik meld het nog maar even want daarover had niemand het in de Randstedelijke praatclubjes van De Wereld Draait Door, Pauw & Witteman, Holland Sport en Studio Voetbal.
Och gossie, weer zo’n Eindhovenaar met een Calimero-complex die zich tekortgedaan voelt? Tja, (oud-)Eindhovenaar ben ik, daar kom ik niet onderuit. Maar dat betekent niet automatisch dat ik PSV blindelings volg. Mijn relatie met de club kent de nodige nuances, ook al stond en staat het stadion in Strijp, het stadsdeel waar ik ben opgegroeid. Alleen: Brabantia kwam daar ook vandaan. Dat was de club waar mijn vader Frans en zijn broer Piet in de jaren dertig niet onverdienstelijk voetbalden. Ome Piet speelde in het team dat zelfs nog twee maal landskampioen werd van ‘de katholieke bond’, een keer na een historische wedstrijd in en tegen Volendam in 1935 (3-7, als ik me niet vergis).


Brabantia in de jaren dertig. Ome Piet staat rechts van de keeper met pet.

Maar juist in die tijd vertrokken talloze veelbelovende talenten van Brabantia naar PSV. Dat had namelijk de ideale package deal in huis: spelen bij de club betekende meestal ook een baan bij Philips. In die crisisjaren kon ‘d’n Brab’ daar natuurlijk niet tegenop. Het zou me niet verbazen als er nog altijd oude Strijpenaren met een Brabantia-hart rondlopen die daarom niets van de Putjes Scheppers Vereniging (ook die bijnaam deed de ronde) moeten hebben.
Ook ik begon mijn voetbalcarrière bij Brabantia. Maar na een wedstrijd of tien eindigde die alweer door een onmiskenbaar gebrek aan talent. Daardoor kon ik rond mijn elfde, twaalfde zonder al te veel schuldgevoel overlopen naar PSV of ‘Philips’ zoals mijn moeder de club tot haar dood bleef noemen. PSV was bezig aan een opmars en aan het begin van de jaren zeventig liepen er spelers rond om je vingers bij af te likken: Willy van der Kuijlen, Jan van Beveren, Bengt Schmidt Hansen (‘Zoef Zoef’) en mijn held uit die tijd: Ralf Edström. 
Ralf Edström in 1974.
De boomlange Zweed met zijn enorme bakkebaarden grossierde in sierlijk spel en prachtige doelpunten. Bij dit PSV was ik in 1973 getuige van een andere 10-0: tegen Go Ahead Eagles. (Overigens: Ralf Edström is nu commentator voor de Zweedse radio en noemt zijn periode bij PSV zelf ook de mooiste uit zijn leven; zie een interview met de legendarische speler, die nog steeds bijna vloeiend Nederlands spreekt, op http://www.youtube.com/watch?v=gs4E2csg5gE)
Maar als je gaat puberen, wordt het tijd voor rebellie. Tegen het grootkapitaal in dit geval. En dus zocht ik mijn heil bij eerstedivisieclub EVV Eindhoven. Raar eigenlijk: een volksclub maar dan uit het veel verder weg gelegen stadsdeel Stratum waar toch ook de nodige ‘kak’ woonde. Het clubje aan de Aalsterweg wist in die jaren nog te promoveren ook. Ik zie nog het spandoek voor me tijdens de beslissende nacompetitiewedstrijd tegen Groningen: ‘PSV, WIJ KOMEN’. Dat klopte. Maar na een seizoen of drie gíng EVV ook weer.
En nu? Mijn hart klopt lang niet meer zo hard voor voetbal als toen. Ik volg de competitie, maar niet fanatiek. Maar het doet me nog altijd goed als PSV wint, vooral als de blaaskaken uit Amsterdam en Rotterdam op hun nummer worden gezet. Kortom, dit was weer een topweekend. Kinderachtig? Natuurlijk! Maar daar zijn we toch man voor?

vrijdag 15 oktober 2010

Spiritueel afscheid

Je bent rooms-katholiek opgevoed, hebt inmiddels niets meer met de kerk, en toch stap je - als je in Spanje of Italië met vakantie bent – iedere keer weer die kathedraal of dat Romaanse kerkje binnen. Je steekt soms zelfs nog wel eens een kaarsje aan voor je overleden ouders of voor ernstig zieke vrienden. Herkent iemand dit?

Wat is het toch dat je naar binnen trekt? Ondanks je afkeer van de paus en zijn dogma’s, de inmiddels onafzienbare rij van bisschoppelijke stoethaspels met hele foute uitspraken, én de verhalen over wat zich onder de dekens afspeelde op jongensinternaat en seminarie? Als ik het Huis van God binnenstap, maak ik mezelf wijs dat ik de hitte van de mediterrane stad moet ontvluchten. En vooruit, om rust te zoeken of onder de indruk te raken van gezang en muziek. De organiste die haar eigen spel omlijstte met een warme sopraanstem in de kerk van St. Jean Baptiste in Calvi, op Corsica, zal ik niet licht vergeten. Of zijn dit allemaal drogredenen en lokt iets anders je naar binnen? Tot voor kort kwam ik er niet uit.

Gerard van Maasakkers ook niet. De Brabantse troubadour schreef een jaar of acht geleden ‘Liedje Van Altijd’ (op de cd ‘Vol Dagen’). Daarin vertelt hij hoe hij weer eens een kerkdienst bezoekt met zijn oude moeder en geraakt wordt door haar stem als hij haar na zo vele jaren weer hoort zingen. Een grijze moeder met ‘ne grote vent die wordt meegenomen naar zijn jeugd. Maar ook Gerard heeft inmiddels de nodige afstand genomen van het geloof en dat bezingt hij dan weer prachtig in ‘Hedde Efkes, Lieven Heer’ (briljante titel, te vinden op zijn meest recente cd ‘Deze Jongen’).

Toch wil Gerard af en toe nog best een kerk bezoeken. Die van Kaatsheuvel bijvoorbeeld. Maar de pastoor wil het niet hebben. Ook al zou Gerard meehelpen om geld in te zamelen voor de restauratie van nota bene diezelfde kerk, want het behoud van dat cultureel erfgoed vindt hij belangrijk. In ‘Hedde Efkes’ was Gerard echter net iets te kritisch geweest: ‘Lieven Heer, ik vuul het nie meer’. (Zie http://www.youtube.com/watch?v=WWIy7ufjsv4)

Natuurlijk kun je je afvragen waarom Gerard er überhaupt had willen optreden als hij zoveel moeite heeft met de kerk. Maar ik begrijp het nu. Want het valt niet te ontkennen: de beelden, geluiden en geuren die je als kind hebt meegekregen bij het beeld van Maria, voor de crucifix of tijdens het ontvangen van de hostie: je draagt ze altijd met je mee. Je associeert ze met je moeder die naast je zat in de bank. En met die pastoor, de koperen collecteschaal (knoop of dubbeltje dit keer?), het tafelgebed, de rode kussentjes waarop je moest knielen en met die gigantische afbeelding van de Almachtige in de apsis, die jou volgde met zijn strenge, maar rechtvaardige ogen. Al zat je op het verste puntje in de zijbeuk: Hij zag je altijd.

Je komt dus eigenlijk niet los van de kerk. Letterlijk niet. Wie denkt dat hij geen rooms-katholiek meer is omdat hij zich bij de gemeente heeft laten uitschrijven, komt bedrogen uit. De registratie wordt voortaan geheimgehouden, dat wel. Maar voor de kerk tel je in de statistieken nog altijd mee als rooms-katholiek. Hoe je dáár een einde aan kunt maken? Schrik niet, maar dat is een ingewikkeld, administratief proces. Zie deze onheilspellende site: http://dry.sailingissues.com/uitschrijven-kerk.html.

Voor wie de statistieken een zorg zal zijn en wil volstaan met een afscheid op meer spiritueel niveau is er een simpel, mooi alternatief: luisteren naar ‘Hedde Efkes’ van Gerard van Maasakkers. Als je dan toch bezig bent, ontdek dan ook al het andere mooie werk van deze sympathieke Brabander.  

dinsdag 5 oktober 2010

Wij van 'mét'

Je hebt mensen zonder en je hebt mensen mét. Tussenvoegsels bedoel ik. In mijn beleving wordt de groep zonder steeds groter. Ik heb voor de grap eens gekeken naar een paar clubjes waar ik bij hoor, en de namenlijsten doornemend blijkt dat ‘wij van mét’ soms behoorlijk zeldzaam zijn. Dat klopt met de theorie dat mét duidt op een adellijke afkomst. Maar ik ben bang dat die gedachte vooral bedoeld is om het blazoen van het familiegeslacht op te poetsen. Uit stamboomonderzoek dat ik ooit deed, bleek dat mijn mannelijke voorouders hun dagen vooral sleten als dagloner of sigarensorteerder. Daar is weinig adellijks aan. Nee, in mijn geval betekent het tussenvoegsel ‘van’ waarschijnlijk niets anders dan dat we uit Deursen stammen, een buurtschap bij Ravenstein.
Van, de, van de, van der, ter, op de, en zelfs of  (denk aan die merkwaardige Jan Vennegoor of Hesselink)… tussenvoegsels zijn er in allerlei soorten en maten. Dat het aantal mensen zonder tussenvoegsel in de naam lijkt toe te nemen, komt misschien door die elektronische formulieren op websites (‘Mijn Caiway’, ‘Mijn NS’, ‘Mijn dit’, ‘Mijn dat’) waarin je je personalia moet invullen. Daar waar bij ‘tussenvoegsel’ geen sterretje staat (invullen dus niet verplicht, maar ik doe het altijd) begin ik al argwaan te krijgen. Meestal terecht: ik krijg steeds vaker post met de aanhef ‘geachte heer Deursen’. Mijn ‘van’ valt weg!
Kijk, wij van de tussenvoegsels zijn nogal gevoelig op dit punt. Wie mij aanheft zonder, of zelfs maar met een afgekort tussenvoegsel (J. v. Deursen) snapt het niet. ‘Van’ moet namelijk voluit. Altijd. Dat is geen pietluttig gezeur. ‘Van’ is een deel van mijn identiteit: ik stam af van iemand die ooit uit Deursen afkomstig was. Daar moet je waarachtig niet te licht over denken!

Dus werd ik vorige week overvallen door plaatsvervangende schaamte toen ik het blad TvZ opensloeg. TvZ staat voor Tijdschrift voor Verpleegkundigen. Nee, dat is geen fout. Die Z verwees ooit naar ‘ziekenverpleging’. Toen de verpleegkundige haar intrede deed, bleef die Z er gewoon staan. ‘TvZ’ was, en is, nu eenmaal een ingeburgerd begrip: het bestaat al 120 jaar en is daarmee het oudste verpleegkundige vakblad ter wereld! Deze zomer nam Tonny van de Pasch afscheid als hoofdredacteur van TvZ. Ontelbare edities zijn onder haar deskundige leiding tot stand gekomen. Ik mocht het genoegen smaken om de laatste tien jaar maandelijks een aantal berichtenpagina’s voor Tonny en haar blad te maken. In die jaren heb ik Tonny leren kennen als een gedreven vrouw met ongelooflijk veel liefde voor de verpleegkunde en vooral ook voor de mensen die dat mooie beroep uitoefenen. 

In het allereerste nummer dat nu zonder Tonny gemaakt is, staat op de plek waar zij altijd haar redactioneel plaatste, een tekst van gasthoofdredacteur Marian Adriaansen. Daarin prijst ze terecht het werk van haar voorgangster. Op een andere pagina staat het colofon van TvZ. Daarin is Tonny nog steeds te vinden omdat ze nog een tekstuele bijdrage leverde. Maar in dat colofon heet ze – echt waar – Tonny van der Pasch. Goed, misschien ben ik een mierenneuker, maar ik word hier dus intens verdrietig van. Tonny heeft haar hielen nog niet gelicht of de juiste schrijfwijze van haar naam wordt al te grabbel gegooid. Natuurlijk door een of ander kauwgom knauwend wicht van 19 jaar oud wier historisch besef niet verder gaat dan de laatste aflevering van Oh Oh Cherso. Foei toch. 

donderdag 30 september 2010

The Visits 2: Galway

Sharon plant haar voeten, gehuld in pumps uit de jaren vijftig, stevig in een lichte spreidstand op de vloer van het vliegtuigje dat ons van Dublin naar Galway zal brengen. Ook al zijn er maar zes, zeven passagiers… niemand weerhoudt haar van wat vandaag haar finest hour moet worden: de safety procedure! De ietwat gezette stewardess is gekleed in een donkerblauw mantelpakje dat ooit de trots van Aer Arann geweest moet zijn, maar dat nu ontsierd wordt door een loshangende zoom van haar onderjurk. Licht snuivend door haar neus wacht ze voor in de cabine het begin van het audiobandje af. Zodra een stem in het Gaelic begint uit te leggen waar zich de nooduitgangen bevinden, begeleidt Sharon de spreekster van dienst met ferme armgebaren. Maar óók met een ontwapenende glimlach. Ze weet dat ze een toneelstuk opvoert maar heeft er duidelijk zin in. Reisgenoot Bart en ik kunnen met moeite een aanval van slappe lach onderdrukken.
Galway ligt aan de ruige Atlantische kust maar dan wel in de luwte van Galway Bay. Het stadje is de uitvalsbasis voor een bezoek aan Connemara in het noorden of The Burren in het zuiden. Bart en ik gaan er echter heen voor Galway zelf. Gewoon om te ontdekken hoe de Guinness hier smaakt (standaardreactie in Nederland: vind je dat nou écht lekker…? Ja, dus, zelfs een goede Belgische trappist kan er niet tegenop). En om te zien of het full Irish Breakfast ook hier met die heerlijk vieze worstjes geserveerd wordt. Maar uitgerekend in Galway word ik gevloerd door een koortsige griep. Ontbijten sla ik over en van de Guinness komt ook al niets. Mijn belangrijkste activiteit is het bestuderen van de hotelkamer.
Het Eyre Square Hotel is zo’n typisch stadshotel in verval. De vloerbedekking in de lobby is vaal en gerafeld, en er hangen allerlei luchtjes die je elders niet meer tegenkomt. Zo zijn er nog kamers voor rokers terwijl de etensgeuren uit de keuken via allerlei onhandig geplaatste afvoerpijpen hun weg zoeken door de talloze gaten en kieren. In de lobby, waar ik af en toe heen ga omdat er een wifi-verbinding beschikbaar is (dat dan weer wel), verzamelen zich steeds meer vrouwen in feestelijke kleding. Glanzende rokken, schoenen met hoge hakken waarop de enkels net iets te vaak omzwikken en walmen van goedkope parfums. Het hotel is, samen met de aanpalende bar, gespecialiseerd in vrijgezellenfeesten. Toe maar, dat kan er ook nog wel bij. Bij vrouwen heet zoiets een ‘hen party’. Vandaar de uniforme zwarte t-shirts met de verheffende tekst: 20 hens, 1 chick, no cocks.
Een heel enkele keer kan ik het opbrengen Bart even te vergezellen tijdens een wandelingetje door het centrum. En dan gebeurt het: als Ierland-fanaat walg ik van het ene op het andere moment van de wansmaak die ik in de straten aantref. Die net iets te lelijke boersige koppen, de treurige schooluniformpjes van te dikke jongens en meisjes, de zoveelste straatmuzikant die The Town I Loved So Well loopt te blèren, de kindmoedertjes achter de kinderwagens met de volgende duidelijk zichtbaar alweer op komst. En het feit dat de nog altijd oppermachtige katholieke kerk in Ierland daar nog steeds medeverantwoordelijk voor is. Het is voor de grieperige mens even meer dan hij kan verdragen.
Nu, terug in Nederland, terwijl de griep bijna verslagen is, verlang ik maar naar één ding: happen in de creamy head van een vers getapte Guinness. O ja, en naar Sharon natuurlijk. Galway: ik kom het overdoen hoor!

dinsdag 14 september 2010

The Visits 1: Pontypridd

Cardiff Central Station op een vroege zaterdagavond, september 2009. Het treintje naar Treherbert brengt ons – drie vrienden en ondergetekende die elk jaar zomaar een stad(je) in het Angelsaksische deel van Europa bezoeken - naar niets minder dan Pontypridd. Het is een introvert stadje op een mijl of twintig van de hoofdstad van Wales waar nooit iets gebeurt. Behalve vanavond dan. Want (niemand weet hoe het kan, maar het ís zo) er treden twee bands van naam op in het Muni Arts Centre. Dat willen we wel eens zien. En horen.
We komen het Americana-festivalletje op het spoor aan The Hayes in Cardiff. Daar zetelt Spillers. Het eenvoudige, maar o zo historische winkeltje wordt al jarenlang bedreigd door projectontwikkelaars met megalomane bouwplannen. Spillers claimt de oudste platenzaak van de wereld te zijn. In 1894 kon je er de eerste fonograaf kopen, nu zijn het de cd’s van The Killers, Interpol of lokale helden als The Manic Street Preachers en Huw M. En concertkaartjes dus.
Voor The Willard Grant Conspiracy en Richmond Fontaine. De moeite alleszins waard, zo lijkt het. Zeker na onze ontnuchterende ervaring, een dag eerder. Toen bezochten we – bij gebrek aan beter – een concert van… eh… tja… nou ja… ik zeg het maar gewoon… Engelbert Humperdinck. Ja, die bestaat dus nog. Een avondje camp leek ons wel leuk. We rekenden op vrouwen die spannende slipjes naar het podium zouden gooien, maar Engelbert kon niet tippen aan Tom Jones. Bosjes rode rozen aan het eind van de voorstelling, dat was het hoogst haalbare voor Engelbert.

Spillers in Cardiff: heerlijk winkeltje met liefde voor het vak.
In de trein zit een roodharig joch met sproeten, een soort van Wayne Rooney op zijn 16e, hij woont in het mysterieuze stadje. Maar waarom nemen buitenlanders – zijn we misschien Noren? – in hemelsnaam de trein naar Pontypridd? Waarbij het opvalt dat hij van de twee laatste letters een zachte slisklank maakt, als in ‘teeth’. De knul zal straks ongetwijfeld het burgermansplaatsje ontvluchten, maar nu kan hij ons gelukkig nog uitleggen waar we het Muni kunnen vinden. De weidse armgebaren doen een pittige wandeling vermoeden, maar al na vijf minuten staan we voor een schattig kerkje waarvoor Pontypridd kennelijk niet meer genoeg gelovigen in de aanbieding heeft. Ook dat nog. Omgebouwd dus maar. Tot ‘Arts Centre’.
Vooraf willen we er een simpele maaltijd gebruiken maar het restaurantje van het Muni is deze avond helemaal gereserveerd voor de muzikanten. Bij terugkeer, rond achten, blijken lieve, grijze vrouwtjes (die bij Engelbert in de zaal hadden kunnen zitten) er koffie te schenken. ‘Milk’s over there, love’. De entourage doet denken aan het patronaat uit mijn jeugd. Naar de film om de doodsaaie zondagmiddag door te komen, meestal met Laurel & Hardy, met bekertjes chocolademelk in de hand. Aandoenlijk kleinschalig allemaal. The Willard Grant Conspiracy en vooral Richmond Fontaine voelen zich er wel bij en spelen relaxed en ingetogen terwijl ze tussen de nummers door volop praten met het publiek. Dat er al even relaxed bijloopt. Want dat kan in het lang niet volgepakte zaaltje.
Het 'Muni'
Een wat kabbelende avond waarvoor de lokale jeugd niet te porren is. Die zien we na afloop in de trein terug naar Cardiff. Ondanks de kou stappen hevig opgemaakte meisjes van 17, 18 jaar in ultrakorte en flinterdunne verpleegsterpakjes en andere uniformpjes - die hier kennelijk het beeld van het uitgaansleven bepalen - de trein in. Om vier mannen van middelbare leeftijd in complete verwarring en met de nodige gène op Cardiff Central achter te laten.
Dit is deel 1 van een tweeluik. Volgende keer: Galway

maandag 6 september 2010

Wind Tegen

Een aftandse zwarte ringband – een klapper met zo’n vreselijk mechaniek dat ieders wijsvinger wel eens te grazen heeft genomen - staat al jarenlang stof te verzamelen in mijn elpeekast. Hij stamt uit de tijd dat de Eindhovense bieb net met een fonotheekafdeling begonnen was. Een snelgroeiende berg cassettes was het resultaat. Want wat was het een feest om zomaar elpees te kunnen opnemen die natuurlijk niemand in mijn directe omgeving zélf had: mijn smaak was immers veel te buitenissig, zo matigde ik mijzelf aan.

Vraag me niet waarom, maar ik had toen de gewoonte om van al die opgenomen elpees ook zoveel mogelijk teksten en credits te verzamelen. Soms door fotokopieën te maken van binnenhoezen, soms door op een typemachine gewoon alles op a4’tjes over te tikken wat er maar te melden viel. Dat een plaat in de Townhouse Studios was opgenomen (Black Sea van XTC), dat de tenor sax door ene Eric Clark werd verzorgd (IV Rattus Norvegicus van The Stranglers) of dat de engineer op Gram Parsons album GP Hugh Davies was (samen met Ed Barton natuurlijk)… ik zou en moest het allemaal weten en bewaren voor het nageslacht. Dat er niet kwam en ook niet meer zal komen. 

Alles kwam terecht in die zwarte map. Een paar dagen geleden bladerde ik er weer eens doorheen, terwijl ik luisterde naar een van de albums die daarin een plaatsje kreeg: 'Wind Tegen' van Wolverlei. Ik weet nog dat de plaat me destijds danig van mijn stuk bracht. Ik was net bezig de Engelse en Ierse folkscene te verkennen – Fairport Convention, Fotheringay, Steeleye Span, Planxty – toen Wolverlei zich presenteerde als een vaderlandse evenknie! Het album wist me feilloos mee te nemen naar middeleeuwse landschappen, naar kastelen, jonkvrouwen met zo'n sluier aan de puntmuts en naar edele ruiters op dito viervoeters die lieflijke beekjes overstaken te midden van groene heuvels. Ook de Leidse Broodsteen of de overhemdboordjes van ene Piet Leander werden bezongen ('Slappen en Stijven') terwijl het album daarnaast de nodige instrumentale juweeltjes kende. Of dat nog niet genoeg is, ook nog een prachtige bewerking van Eric Bogle’s beroemde anti-oorlogslied No Man’s Land dat bij Wolverlei ‘14-18’ heet. Geen idee wat er van de bandleden geworden is, behalve dan van Rens van der Zalm die al jarenlang de muzikale begeleider is van cabaretier Youp van ’t Hek.

Wind Tegen is een van die vergeten albums uit de Nederlandse popmuziek die je tevergeefs in de platenzaak zult zoeken. Wie hem toch wil hebben, kan terecht bij het onvolprezen Fonos.nl. Dat is een onderdeel van het Instituut voor Beeld en Geluid dat er een eer in schept om vergeten parels speciaal voor jou op een cd te zetten. Voor zo’n twintig euro plus wat verzendkosten krijg je hem thuisgestuurd. Geen geld voor een reis terug in de tijd.