dinsdag 11 januari 2011

Gemütlich

Het is 5 januari 2011 en we zijn halverwege onze wintervakantie op La Gomera. Tijd voor een dipje. Niets ernstigs, hoor. Ik heb het alleen even gehad met de nogal overheersende oosterburen die het eiland eveneens bezoeken. Dat ze aardig zijn (en ze zíjn aardig), zie ik vandaag niet zo. Ze praten wel erg veel Duits en gaan er bij voorbaat vanuit dat jij een landgenoot bent. Ze spreken ze je aan met ‘Verzeihung, können Sie mir bitte sagen…’ Voordat ze hun vraag kunnen stellen, val ik hen daarom balorig in de rede met 'I beg your pardon?' en druipen ze af. Niet lief, maar dat moet even.
In Café Olé, om de hoek bij ons appartementencomplex, worden zeer verantwoorde ekosapjes, geitenkaasjes en pannenkoekjes met spinazie geserveerd, naast de meest uiteenlopende soorten thee (http://www.cafeole-gomera.es/index-d.html). Duitse alternativo’s komen er wat graag. Mogelijke positieve gezondheidseffecten van al dat lekkers worden er subiet weer weggerookt. Vooral het zelf rollen van een sigaret uit onduidelijke pakjes shag is héél 2011.

De boulevard bij babybeach (Charco del Conde).
Het mannelijke deel van de jonge generatie hippies kweekt zo snel mogelijk een zo lang mogelijke baard die altijd vlassig blijft. Met ontbloot bovenlijf rijden de jongens rond op niet nader te omschrijven fietsjes. Op de rug hangt een gitaar of een gebreide tas met weet-ik-wat. Sommigen zijn al eens door Australië getrokken en kunnen een didgeridoo-workshop verzorgen. Anderen trekken tegen zonsondergang naar het hogegolvenstrand bij La Playa om onder tromgeroffel de zonnegod aan te roepen, wie dat vanavond ook zijn mag. De meisjes hebben hun blonde haren gebundeld in warrige strengen rastahaar, lezen boeken als '2012, 12 Wege zur neuen Zeit' en omhelzen elkaar, gekleed in lange gewaden, urenlang na wéér een reeks sessies in Argayall (‘Place of Light’), het lokale centrum voor de zwevenden (http://www.argayall.com).

Avondlucht bij Vueltas

Bij de ouderen is het oppassen voor de dames van 60+. Onder het motto 'kijk mij eens vrij zijn' zwaaien ze met hun blote hangborsten op het zwarte havenstrandje van Vueltas. Natuurlijk kiest zo’n vrouw uitgerekend een plekje naast jou uit. Nicotinedampen worden je deel, maar daar blijft het niet bij. Als ze zich omdraait om na de rug ook het lichaamsfront te laten grillen, vallen er steeds schaduwen over de bladzijden van het boek dat je aan het lezen bent. Twee langwerpige schaduwen met een puntje dat toevallig altijd zijn maximale grootte heeft. Dieter en Dagmar - de Duitse Henk en Ingrid – kennen ook altijd andere stellen van de boot- of de vliegreis. Het is ‘Nah du’ hier en 'Tschüss' daar. Ze noemen de berg op Tenerife 'der Te-iede' waar dat ding gewoon de Teide heet en rekken te klinkers veel te lang uit als ze het over de Almooogrooooooote hebben, een geitenkaas met een rooksmaak. Dagmar doet ook aan nordic walking, maar dan - je gelooft het niet - zonder de stokken. Met een paar biertjes op is het een heerlijk schouwspel dat zich gratis aan ons voltrekt op de boulevard voor ons terras. 

Zicht op Valle Gran Rey vanaf het plateau La Merica met linksboven het haventje van Vueltas.

En dan is er nog de permanente Duitse gemeenschap die het eiland zowat gekoloniseerd heeft. De helft van alle winkeltjes wordt gerund door dames die ooit als hippie in de befaamde 'Schweinebucht' neerstreken (een afgelegen kuststrook met holen en grotten waar je zo heerlijk tot jezelf kunt komen; voor wie denkt dat ik er een karikatuur van maak, zie  
http://www.polylog.tv/monolux/videocast/3513/). Maar de vrouwen zijn nu op hun manier 'gesetteld' en verkopen wierookjes, zelfgemaakte sieraden en aloë vera-zeepjes in hun nieuwetijdswinkeltjes. Opmerkelijk: ze brengen ook de Valle Bote aan de man, het lokale Duitstalige tijdschrift dat grossiert in hele foute artikelen met wat de Duitsers als humor beschouwen. Of ze luisteren naar Radio CLM dat programma's in het Duits uitzendt. Tja.

Naschrift 6 januari 2011. Het is weer goed hoor, de dip is weg. De zon schijnt als vanouds, de palmen wuiven in ons uitzicht op 'babybeach', de golven spoelen onophoudelijk rust aan op La Gomera en de lunch met de gambas al ajillo (die van Rincón del Marinero in Vueltas zijn het lekkerst) wenkt. En vergis ik me of hoor ik ook weer wat Spaans, Engels, Zweeds en Nederlands om me heen? Café Olé is trouwens een fantastische uitspanning met gratis wifi en een internetcorner en er zijn alleen maar hele lieve mensen op weg naar Argayall. De Valle Gran Rey (het Dal van de Grote Koning) ligt er majesteitelijk bij en de zonsondergang zal weer adembenemend zijn. Eigenlijk ademt dit paradijselijke Canarische eiland slechts harmonie en sereniteit uit. Verdammt, het is hier gewoon heel erg… gemütlich!  

Alleen maar lieve mensen op weg naar Argayall.

maandag 20 december 2010

Legendarisch

Op de vroege maandagochtend van 13 december moet ik onwillekeurig denken aan die televisieserie waarin klanten van luchtvaartmaatschappij easyJet van vele kastjes naar nog meer muren worden gestuurd. Annuleringen, vertragingen en andere vliegellende zorgen voor torenhoge frustraties. Gezien de datum vrees ik dat ik er deze ochtend op Schiphol ook aan moet geloven: de vertrektijd van de vlucht naar Edinburgh schuift steeds verder op. Maar zie: het blijft bij anderhalf uur vertraging, peanuts voor easyJet-begrippen.

Gelukkig maar, want na aankomst in Edinburgh staat een treinreis naar Glasgow op het programma waar we vroeg in de avond móeten zijn. ‘We?’ Ja, ik heb Twan bij me, mijn peetzoon van negentien. Ik vrees dat ik schuldig ben aan de besmetting met het Pogues-virus waarmee Twan inmiddels door het leven gaat. Of liever: het Shane-virus. De enigmatische voorman, zanger en tekstdichter van de Iers-Engelse punkfolkband The Pogues is zijn grote held. Twan wil hem zó graag eens in levende lijve zien dat we Schotland opzoeken voor een van de concerten uit de traditionele kersttoer die ze elk jaar nog doen. Nog wel: het dreigt de laatste te worden en dus is dit misschien wel de ultieme mogelijkheid om Twan’s wens in vervulling te doen gaan.

We melden ons vroeg in de O2 Academy, op de zuidoever van de Clyde. De ruimte, die doet denken aan De Vereeniging in Nijmegen, is nog bedrieglijk leeg en rustig. Maar met 25 jaar ervaring in het bezoeken van Pogues-concerten weet ik welke taferelen zich hier straks zullen afspelen. Twan is vast van plan om zo dicht mogelijk bij het podium te gaan staan. ‘Shit’, denk ik. Want een man van 53 moet dit eigenlijk niet meer willen. Zodra de eerste noot gespeeld wordt, zal de massa in beweging komen. Waarna je alle controle over je bewegingen zult verliezen en niets anders kunt doen dan het maar te laten gebeuren, dan je heen en weer te laten slingeren in de menigte. Onderwijl zal de Guinness of de Carling op je neerdalen als hemelwater uit woeste luchten. Zodanig dat het gesmijt met Brand-biertjes van Rowwen Hèze-fans in een feesttent in Horst-America verbleekt tot kinderspel. Bij dat alles zul je alle teksten woord voor woord meezingen, geen enkele regel missend. Want het repertoire van The Pogues is een van de weinige zekerheden in het leven die je nog resten.

Dan begint de ruimte zich te vullen met jong en oud, met vrouw en man. Er zijn opvallend veel Celtic-supporters die nu al een schrikbarend alcoholpromillage in het bloed moeten hebben en talloze traditionals aanheffen. The Fields Of Athenry is de favoriet, een van Ierlands bekendste protestliederen tegen de Engelsen. Want die aartsvijand is wat de Ieren en de Schotten met elkaar verbindt. Wie de diepste driften van de mensheid wil bestuderen, vindt hier zomaar talloze interessante studie-objecten. Dat realiseer ik me nog eens als ik iets warms achter op mijn broekspijp, ter hoogte van mijn kuit, voel neerdalen. En aangezien dit publiek bepaald geen kopjes rooibosthee nuttigt, maakt een bang vermoeden zich van mij meester. Verdomme, het zal toch niet? En ik moet denken aan één van Shane’s dichtregels: I tried to take a late night piss but the toilet moved, so again I missed. Ik kijk achter me om een mogelijke schuldige te vinden maar zie voor dit moment slechts stoïcijnse gezichten die quasi achteloos langs me heenkijken.

Ik weet genoeg. Twan mag zijn feestje gaan vieren – genoeg aanspraak daar voorin – terwijl ik me langzaam achterwaarts uit het brandpunt begeef en een beetje de zijkant van de zaal opzoek. Daar kun je je nog staande houden en zijn de mensen slechts dronken, niet ladderzat. En als dan de heren musici het podium betreden, Shane zich als vanouds vastklampt aan de standaard van de microfoon en Streams Of Whiskey niet alleen meer door de zaal maar ook uit de luidsprekers vloeien… dan is het pandemonium daar. Onvermijdelijk in al zijn eenvoud.

Een uur en drie kwartier later, als de storm is geluwd, doemt Twan op uit de Guinness-nevel. Zijn shirt is doorweekt en de stoom dampt letterlijk van zijn gedaante af. Met recht een vuurdoop. ‘Dit was legendarisch’, zo stamelt hij voor zich uit. Ik weet het, Twan. Ik weet het.


Twan doemt confuus op uit de Guinness-nevel na een avondje Pogues en stamelt: 'Dit was legendarisch'.



zaterdag 4 december 2010

Nee hè, weer een lijstje...

Ik ontkom er niet aan. Nu ik met dit weblog over een eigen medium beschik, kan ik één van mijn voornemens uit vroeger tijden realiseren: de publicatie van de tien mooiste cd’s van het afgelopen jaar. In mijn beleving dan.
Ik kan daar wel allerlei mooie verhalen over ophangen: hoe ik anderen wil wijzen op mooie albums, op muziek die het verdient ontdekt te worden en zo. Maar in feite is het natuurlijk gewoon een staaltje narcisme van iemand die vindt dat hij de wijsheid in pacht heeft. Gelukkig wordt mijn oordeel voldoende weggerelativeerd door duizenden anderen die vaak een veel beter beargumenteerd lijstje kunnen samenstellen.
Want één ding moet ik nog bekennen. In tegenstelling tot tien, twintig jaar geleden, toen ik lange uren doorbracht met mijn gescoorde albums, zijn mijn luisterpatronen nu heel erg versnipperd. Het overweldigende aanbod op internet dat alle denkbare muziek kan ontsluiten (met de komst van Spotify dit jaar als belangrijkste nieuwe loot aan de stam) is funest voor het echte albumgevoel. Alles is onder handbereik waardoor je van de hak op de tak springt. Een heel album beluisteren… het komt er nog maar weinig van. En dus is deze top 10 vooral een lijstje met albums waarop ik hele mooie nummers aantrof. Bovendien: misschien heb ik 99% van wat er uitkwam niet eens gehoord. En dus regeert de willekeur. Dat gezegd hebbende…


1) The Promise – Bruce Springsteen

De langverwachte verzameling van 22 nummers die werden opgenomen tijdens de Darkness On The Edge Of Town-sessies, eind jaren zeventig. The Boss die weer even twintiger is en met een nieuw album komt terwijl hij op het hoogtepunt van zijn creativiteit is. De manier waarop het titelnummer zich onmiddellijk nestelt in het muzikale juwelenkistje dat je je leven lang bij je zult dragen… Vanaf noot één een klassieker. Prijsnummer: The Promise.




2) The Suburbs – Arcade Fire
Een spannend album dat zich – en dat wringt weer met wat ik hierboven meldde – wel degelijk als een eenheid aan je opdringt. Zanger Win Butler schetst het leven in die typische buitenwijk van small town America. Mijn oordeel is beïnvloed door die fantastische interactieve videoclip: voer het adres in van het huis waar je bent opgegroeid en foto’s van je oude buurt worden geïntegreerd in de clip. Je ziet er zelfs bomen groeien… (www.thewildernessdowntown.com). Prijsnummer: Empty Room.


3) Write About Love – Belle and Sebastian 
Na een paar jaar afwezigheid komt Schotse Belle weer met een prachtig verzorgd luisterpopalbum. Vernieuwend? Nee. Verrassend? Ook al niet. Maar o zo lekker om naar te luisteren. Mooie vrouwenstemmen weer, niet alleen van Sarah Martin maar ook van Norah Jones (Little Lou, Ugly Jack, Prophet John) en actrice Carey Mulligan (bekend van An Education) in het titelnummer. Prijsnummer: I Didn’t See It Coming.




4) Down The Way – Angus & Julia Stone 
Verstilde liedjes van Australische broer en zus. Te beluisteren bij het licht van hooguit één waxinelichtje, wijntje erbij, laat in de avond na een zware dag die aanleiding geeft om de zin van het leven nog eens te overdenken. De stem van Julia doet sterk denken aan die van Björk. Prijsnummer: I’m Not Yours.





5) I Learned The Hard Way – Sharon Jones & The Dap-Kings
Klinkt als heerlijke oude sixties-soul, maar is wel degelijk van de 21e eeuw. Sharon Jones staat op de hoes als een dame waarmee je maar beter niet kunt proberen om de kachel aan te maken. I’ve got better things to do, zingt ze dreigend tegen een achtergrond van heerlijke toeterarrangementen. Prijsnummer: Better Things.



6) Queen Of Denmark – John Grant
Beetje depressieve, want miskende popmuzikant leeft weer op aan het handje van een jonge band. Dat is zo’n beetje het verhaal achter Queen Of Denmark. Het grote succes bleef uit met The Czars maar John Grant werd gekoppeld aan Midlake en samen maakten ze een album met verzorgde liedjes met veel fluiten en strijkers. Stemmig album. Prijsnummer: Marz.


7)  American Slang – Gaslight Anthem 
Jong bandje uit de achtertuin van Bruce Springsteen in New Jersey dat geheel in de traditie van (en sterk beïnvloed door) The Boss het leven van de arbeider bezingt, verpakt in gepassioneerde rock. Toch alweer het derde album van de band. Zanger Brian Fallon is ook te zien op de live-dvd van Springsteen’s Live In Hyde Park. Het geluk dat van hem afstraalt als hij samen met zijn grote idool No Surrender mag meezingen is onbetaalbaar. Prijsnummer: Stay Lucky.


8) The Wild Hunt – The Tallest Men On Earth 
Americana in optima forma van… een Zweed, Kristian Matsson. Een man en zijn gitaar in het genre van, zeg, een Bob Dylan. En zijn stem, vooral dat. Die snijdt bijna letterlijk door alles heen, in ieder geval door merg en been. Prijsnummer: Burden Of Tomorrow.



9) Tim Knol – Tim Knol
Piepjonge singer-songwriter uit de Excelsior-stal brak dit jaar door met puik debuutalbum. Kan zo’n knul zingen over de diepere emoties des levens, heeft hij wel genoeg meegemaakt om hem te geloven als hij zingt over geloof, hoop en liefde? Misschien nog niet helemaal, maar Tim komt er wel. Zeker met steun van meestergitarist Anne Soldaat. Prijsnummer: Sam.





10)  Can I Come By? – Lea 
Met Friese roots en wonend in Nijmegen, zou Lea – na enig rijpen – zomaar Nashville kunnen veroveren. Of is ze daarvoor te nuchter? Hmm, begeleid door de fantastische muzikanten van Neerlands beste band ooit, Johan, is dit in ieder geval een meer dan verdienstelijke poging om poldercountry op de kaart te zetten. Voor wie Ilse DeLange te gladjes vindt. Prijsnummer: Again.

zaterdag 13 november 2010

De Herbergier

“Waar is mijn stok? Waar heb ik nou toch mijn stok?”, roept Kitty met gespeelde boosheid alsof ze Adriaan Koenen eens een goed pak rammel wil geven. Adriaan had even daarvoor gegrapt dat Kitty zich sinds december vorig jaar een hele ster voelt en daarom maar een opvallende oranje bril heeft gekocht. Toen kwam Kitty namelijk uitgebreid in beeld in een televisiereportage van de KRO over De Herbergier in Arnhem. Dat is de plek waar ik me op deze grijze dinsdagmiddag in november bevind.

De Herbergier is een kleinschalige woonleefgemeenschap voor oudere mensen met geheugenproblemen en dementie. Die wordt geleid door Adriaan Koenen en zijn vrouw Gherina van de Vuurst. Ik ben er op bezoek om een artikel over deze zorgondernemers en hun huis te schrijven in opdracht van de Kamer van Koophandel voor De Ondernemer, een maandelijkse bijlage van De Gelderlander. Zelf wonen ze onder hetzelfde dak. 

De Herbergier is gevestigd in het Nieuwe Land. Dat is de straatnaam, maar die zou ook zo maar kunnen verwijzen naar de manier waarop de bewoners hier begeleid worden. De Herbergier kent geen gesloten afdelingen: tot elf uur ’s avonds kan iedereen in en uit lopen. Je mag opstaan wanneer je wilt en kunt tot één uur ontbijten. Dwangmiddelen en tot apathie leidende medicatie zijn onbekend. Huisdieren zijn er van harte welkom en zonodig laat een medewerker of vrijwilliger het hondje ook nog uit. Familieleden komen op bezoek wanneer ze willen, ze kunnen blijven slapen en mee-eten. Elke dag wordt er vers gekookt in de open keuken waar bewoners kunnen meehelpen als ze dat willen, nadat ze eerder op de dag misschien wel meegegaan zijn om de boodschappen te doen. Met alle respect voor de mensen die er ongetwijfeld ook hun stinkende best doen: kom daar maar eens om in het doorsnee verpleeghuis in Nederland.


Adriaan Koenen en Gherina van de Vuurst

Adriaan heeft me meegenomen naar Kitty om haar ruime appartement te laten zien. We treffen haar aan achter de pc waarop ze patience zit te spelen. Ze is wat de goegemeente misschien een ‘licht geval’ zou noemen. Maar dat maakt het niet minder pijnlijk, integendeel. “Ik heb in de zorg gewerkt, en weet heel goed wat er met me aan de hand is en wat mijn voorland is.” Dat Kitty vanuit Haarlem naar Arnhem ging om te wonen in De Herbergier, zegt genoeg. Adriaan: “Haar familie wilde per se dat ze naar een niet-gesloten instelling zou gaan. Als je haar zou opsluiten zou ze doodgaan, het is echt een vrije geest. Maar zo’n instelling was daar niet te vinden. De zoekcirkel werd steeds groter tot ze in Arnhem uitkwamen.”

Ik weet wel: vanuit journalistiek oogpunt moet je een gezonde afstand bewaren tot het onderwerp waarover je schrijft en zorgen dat je kritisch vermogen intact blijft. Maar jemig, dit huis grijpt me bij de kladden. Vanaf het moment dat je hier binnenstapt voel je direct op onverklaarbare wijze dat het goed zit. Huishond Kees, een goeiige lobbes van een labrador, komt direct op me af en straalt in alles uit dat hij aangehaald wil worden. De blik ronddwalend zie ik een gezellige drukte. Er wordt gepraat, rondgelopen, gekookt, koffie gezet of gepuzzeld. Handen houden elkaar vast, een knuffel hier, een aai over de bol daar. Tijdens mijn interview met Adriaan en Gherina, niet in een steriele kantoorkamer (die is er namelijk niet!) maar in het makkelijke zitgedeelte van de gemeenschappelijke ruimte, komt een mevrouw op Adriaan af. “Hé ben je daar”, zegt hij. “Kom er maar lekker bijzitten, lieverd. Schuif aan, dan hou ik je hand vast.” Waarna hij weer rustig verder gaat met het beantwoorden van mijn vragen. Als een kleinere, tengere dame met een lief grijs koppie binnenkomt, smelt ik. Ze doet me denken aan Tante Tonnie, de liefste tante die ik ooit had en die aan het eind van haar leven ook al ging dementeren. Deze mevrouw, Yvonne, draagt een meisjespop in de armen. Ze zijn onafscheidelijk. En dan is er nog Henk. “Die heeft gewoon elke middag zijn loopje naar het café nodig voor een potje bier, anders kwijnt hij weg. Dus doen we dat.”
Mijn hemel, mocht de dementie me straks in haar greep krijgen, laat het dan alsjeblieft hier zijn.

De televisieuitzending van de KRO – met Kitty en Yvonne - is te zien via deze link: http://player.omroep.nl/?aflID=10384768. Het item begint na 9 minuten en 14 seconden.        
Dit huis in Arnhem is de eerste van inmiddels vijftien Herbergiers in Nederland. De overkoepelende stichting De Drie Notenboomen mikt uiteindelijk op vijftig vestigingen. Zie www.herbergier.nl/arnhem.

donderdag 4 november 2010

Tijdgeest

Ik schaam me. Een week of twee geleden stond een berichtje in de krant van het soort dat om de zoveel maanden een kolom op pagina 11 moet opvullen. Nu eens zijn rokers het lijdend voorwerp, dan weer mensen die een extreme sport beoefenen. Dit keer waren het de mensen met overgewicht. We blijken de samenleving – u dus – heel veel geld te kosten. Nee, maar echt héél véél geld. Aan zorg en zo. Ik voelde me aangesproken.

Ik ben bang dat iedereen zo wel een keer aan de beurt komt. De automobilist kost de schatkist honderden miljoenen per jaar extra, zo blijkt binnenkort. Voetbalsupporters slurpen de politiebudgetten op. Vermaledijde muziekliefhebbers dwingen de gemeente tot een ingrijpende opknapbeurt van het concertgebouw. En die jongeren die tegenwoordig steeds vaker adhd of een ‘aandoening in het autistische spectrum’ lijken te hebben, moeten allemaal een rugzakje hebben. Omdat de samenleving bestaat uit een verzameling menselijke individuen, en niet uit robots die van de lopende band komen, is er verdorie ook altijd wat. Lastig hoor.

Mensen kosten de samenleving inderdaad geld, de een wat meer dan de ander. Maar aan de andere kant brengen ze dat geld zelf ook weer op. De een wat meer dan de ander. Het mooie van Nederland was altijd dat het solidariteitsprincipe een belangrijke pijler van ons maatschappelijk gebouw was. Dat we van elkaar accepteerden dat je in de ene persoon wat meer moet investeren dan in de ander. En dat dat de een soms wat meer geld kost dan de ander. Omdat de samenleving daar uiteindelijk als gehéél beter van zou worden, deden we er niet echt moeilijk over. Dit solidariteitsprincipe is verweven in ons fiscale stelsel. Of moet ik zeggen: was? Solidariteit is ineens een ‘linkse hobby’ en mensen zijn nu vooral economische eenheden. O wee als je baten niet opwegen tegen de kosten…



Het krantenartikeltje zette me wel aan het denken. Ik behoor tot die ene helft van de Nederlandse zzp’ers (zelfstandigen zonder personeel) die niet verzekerd is tegen arbeidsongeschiktheid. Simpelweg omdat zo’n verzekering peperduur is. Van overheidswege is er op dit punt niets geregeld voor zelfstandigen en het lijkt me stug dat het er nog van komt.  
Maar goed, ik kom op een leeftijd waarop de kans dat je iets oploopt groter en groter wordt. Dus vorige week heb ik de knoop toch maar doorgehakt en me met enorm veel tegenzin aangemeld voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Of de verzekeraar me wil hebben, moet ik overigens nog maar afwachten. Telefonisch werd me een lijst met gezondheidsvragen afgenomen. Eerste vraag: komen er in uw directe familie hartklachten voor? Daar ga je al, dacht ik. Want ja, dat was bij moeders het geval en ook broer en zus zijn er niet aan ontkomen. Je kunt dus al bijna uittekenen dat áls de verzekeraar me al accepteert, arbeidsongeschiktheid door hartklachten buiten het verzekerbare pakket zal vallen. Of dat mijn premie nog hoger gaat uitvallen. 

Het solidariteitsprincipe, dat ook een fundament van het verzekeringsstelsel vormt, is leuk en aardig, maar als het de verzekeraar geld gaat kosten treden andere mechanismen in werking. Dat zullen we de komende tijd nog vaak gaan meemaken, dat de dingen anders gaan lopen. Het gezegde ‘Wen er maar aan’ is inmiddels een gevleugelde uitdrukking geworden. Met het idee dat ons land zich ontwikkelt in de richting van een nachtwakersstaat, gaat mij dat in ieder geval niet lukken. Er waart een spook door Nederland. Het is de tijdgeest.

woensdag 27 oktober 2010

Kinderachtig

Na al het gejammer en gejeremieer van het afgelopen weekeinde – een enorme rij van BN’ers huilde krokodillentranen over het ‘schokkende’ en ‘dramatische’ verlies van Feyenoord – heb ik nieuws voor u. PSV heeft zondag met 10-0 gewónnen! Ik meld het nog maar even want daarover had niemand het in de Randstedelijke praatclubjes van De Wereld Draait Door, Pauw & Witteman, Holland Sport en Studio Voetbal.
Och gossie, weer zo’n Eindhovenaar met een Calimero-complex die zich tekortgedaan voelt? Tja, (oud-)Eindhovenaar ben ik, daar kom ik niet onderuit. Maar dat betekent niet automatisch dat ik PSV blindelings volg. Mijn relatie met de club kent de nodige nuances, ook al stond en staat het stadion in Strijp, het stadsdeel waar ik ben opgegroeid. Alleen: Brabantia kwam daar ook vandaan. Dat was de club waar mijn vader Frans en zijn broer Piet in de jaren dertig niet onverdienstelijk voetbalden. Ome Piet speelde in het team dat zelfs nog twee maal landskampioen werd van ‘de katholieke bond’, een keer na een historische wedstrijd in en tegen Volendam in 1935 (3-7, als ik me niet vergis).


Brabantia in de jaren dertig. Ome Piet staat rechts van de keeper met pet.

Maar juist in die tijd vertrokken talloze veelbelovende talenten van Brabantia naar PSV. Dat had namelijk de ideale package deal in huis: spelen bij de club betekende meestal ook een baan bij Philips. In die crisisjaren kon ‘d’n Brab’ daar natuurlijk niet tegenop. Het zou me niet verbazen als er nog altijd oude Strijpenaren met een Brabantia-hart rondlopen die daarom niets van de Putjes Scheppers Vereniging (ook die bijnaam deed de ronde) moeten hebben.
Ook ik begon mijn voetbalcarrière bij Brabantia. Maar na een wedstrijd of tien eindigde die alweer door een onmiskenbaar gebrek aan talent. Daardoor kon ik rond mijn elfde, twaalfde zonder al te veel schuldgevoel overlopen naar PSV of ‘Philips’ zoals mijn moeder de club tot haar dood bleef noemen. PSV was bezig aan een opmars en aan het begin van de jaren zeventig liepen er spelers rond om je vingers bij af te likken: Willy van der Kuijlen, Jan van Beveren, Bengt Schmidt Hansen (‘Zoef Zoef’) en mijn held uit die tijd: Ralf Edström. 
Ralf Edström in 1974.
De boomlange Zweed met zijn enorme bakkebaarden grossierde in sierlijk spel en prachtige doelpunten. Bij dit PSV was ik in 1973 getuige van een andere 10-0: tegen Go Ahead Eagles. (Overigens: Ralf Edström is nu commentator voor de Zweedse radio en noemt zijn periode bij PSV zelf ook de mooiste uit zijn leven; zie een interview met de legendarische speler, die nog steeds bijna vloeiend Nederlands spreekt, op http://www.youtube.com/watch?v=gs4E2csg5gE)
Maar als je gaat puberen, wordt het tijd voor rebellie. Tegen het grootkapitaal in dit geval. En dus zocht ik mijn heil bij eerstedivisieclub EVV Eindhoven. Raar eigenlijk: een volksclub maar dan uit het veel verder weg gelegen stadsdeel Stratum waar toch ook de nodige ‘kak’ woonde. Het clubje aan de Aalsterweg wist in die jaren nog te promoveren ook. Ik zie nog het spandoek voor me tijdens de beslissende nacompetitiewedstrijd tegen Groningen: ‘PSV, WIJ KOMEN’. Dat klopte. Maar na een seizoen of drie gíng EVV ook weer.
En nu? Mijn hart klopt lang niet meer zo hard voor voetbal als toen. Ik volg de competitie, maar niet fanatiek. Maar het doet me nog altijd goed als PSV wint, vooral als de blaaskaken uit Amsterdam en Rotterdam op hun nummer worden gezet. Kortom, dit was weer een topweekend. Kinderachtig? Natuurlijk! Maar daar zijn we toch man voor?

vrijdag 15 oktober 2010

Spiritueel afscheid

Je bent rooms-katholiek opgevoed, hebt inmiddels niets meer met de kerk, en toch stap je - als je in Spanje of Italië met vakantie bent – iedere keer weer die kathedraal of dat Romaanse kerkje binnen. Je steekt soms zelfs nog wel eens een kaarsje aan voor je overleden ouders of voor ernstig zieke vrienden. Herkent iemand dit?

Wat is het toch dat je naar binnen trekt? Ondanks je afkeer van de paus en zijn dogma’s, de inmiddels onafzienbare rij van bisschoppelijke stoethaspels met hele foute uitspraken, én de verhalen over wat zich onder de dekens afspeelde op jongensinternaat en seminarie? Als ik het Huis van God binnenstap, maak ik mezelf wijs dat ik de hitte van de mediterrane stad moet ontvluchten. En vooruit, om rust te zoeken of onder de indruk te raken van gezang en muziek. De organiste die haar eigen spel omlijstte met een warme sopraanstem in de kerk van St. Jean Baptiste in Calvi, op Corsica, zal ik niet licht vergeten. Of zijn dit allemaal drogredenen en lokt iets anders je naar binnen? Tot voor kort kwam ik er niet uit.

Gerard van Maasakkers ook niet. De Brabantse troubadour schreef een jaar of acht geleden ‘Liedje Van Altijd’ (op de cd ‘Vol Dagen’). Daarin vertelt hij hoe hij weer eens een kerkdienst bezoekt met zijn oude moeder en geraakt wordt door haar stem als hij haar na zo vele jaren weer hoort zingen. Een grijze moeder met ‘ne grote vent die wordt meegenomen naar zijn jeugd. Maar ook Gerard heeft inmiddels de nodige afstand genomen van het geloof en dat bezingt hij dan weer prachtig in ‘Hedde Efkes, Lieven Heer’ (briljante titel, te vinden op zijn meest recente cd ‘Deze Jongen’).

Toch wil Gerard af en toe nog best een kerk bezoeken. Die van Kaatsheuvel bijvoorbeeld. Maar de pastoor wil het niet hebben. Ook al zou Gerard meehelpen om geld in te zamelen voor de restauratie van nota bene diezelfde kerk, want het behoud van dat cultureel erfgoed vindt hij belangrijk. In ‘Hedde Efkes’ was Gerard echter net iets te kritisch geweest: ‘Lieven Heer, ik vuul het nie meer’. (Zie http://www.youtube.com/watch?v=WWIy7ufjsv4)

Natuurlijk kun je je afvragen waarom Gerard er überhaupt had willen optreden als hij zoveel moeite heeft met de kerk. Maar ik begrijp het nu. Want het valt niet te ontkennen: de beelden, geluiden en geuren die je als kind hebt meegekregen bij het beeld van Maria, voor de crucifix of tijdens het ontvangen van de hostie: je draagt ze altijd met je mee. Je associeert ze met je moeder die naast je zat in de bank. En met die pastoor, de koperen collecteschaal (knoop of dubbeltje dit keer?), het tafelgebed, de rode kussentjes waarop je moest knielen en met die gigantische afbeelding van de Almachtige in de apsis, die jou volgde met zijn strenge, maar rechtvaardige ogen. Al zat je op het verste puntje in de zijbeuk: Hij zag je altijd.

Je komt dus eigenlijk niet los van de kerk. Letterlijk niet. Wie denkt dat hij geen rooms-katholiek meer is omdat hij zich bij de gemeente heeft laten uitschrijven, komt bedrogen uit. De registratie wordt voortaan geheimgehouden, dat wel. Maar voor de kerk tel je in de statistieken nog altijd mee als rooms-katholiek. Hoe je dáár een einde aan kunt maken? Schrik niet, maar dat is een ingewikkeld, administratief proces. Zie deze onheilspellende site: http://dry.sailingissues.com/uitschrijven-kerk.html.

Voor wie de statistieken een zorg zal zijn en wil volstaan met een afscheid op meer spiritueel niveau is er een simpel, mooi alternatief: luisteren naar ‘Hedde Efkes’ van Gerard van Maasakkers. Als je dan toch bezig bent, ontdek dan ook al het andere mooie werk van deze sympathieke Brabander.